Het is al langer mogelijk om elk nieuwbouwproject in ons land Paris Proof te ontwerpen en te realiseren. Maar sinds kort hebben vooraanstaande groepen met architecten, -beleggers, woningcorporaties en adviseurs zich elk via een eigen overeenkomst aan een norm gecommitteerd die daarbij in de buurt komt. Onlangs ondertekenden 17 -adviesbureaus de overeenkomst. Ben Breekveldt, adviseur bij Merosch, vertelt wat dit betekent in de praktijk en waar uitvoerders rekening mee moeten houden.
Ben Breekveldt is bij adviesbureau Merosch specialist in biobased, circulair, energiezuinig en passief bouwen. Hij weet als geen ander wat er op het gebied van Paris Proof bouwen (bouwen onder de streefwaarde 1,5 °C opwarming) mogelijk is. ‘In het kort komt het commitment erop neer dat we bij de realisatie van nieuwe gebouwen – woningen, kantoren, winkels en wat ons betreft ook scholen – de totale CO2-uitstoot aan een plafond koppelen. De CO2-uitstoot die een gebouw veroorzaakt, moet binnen zodanige grenzen liggen dat het gebouw bijdraagt aan het beperken van de opwarming van de aarde tot 1,7 °C, maar het liefst onder de 1,5 °C.’
Op dit moment is de wetenschap het erover eens dat we de opwarming van de aarde al bijna niet meer onder de 1,5 °C kunnen houden. Is dan 1,7 °C niet wat erg ambitieus? ‘Het is zeker niet te ambitieus. Bij Merosch zijn wij ervan overtuigd – en dat brengen we ook in de praktijk – dat we de CO2-uitstoot van nieuwbouw kunnen beperken tot onder de 1,5 °C. Maar om zoveel mogelijk partijen mee te krijgen, moeten we een ondergrens bepalen die voor veel marktpartijen haalbaar is. Zo kwamen we op die 1.7 °C.’
Streef- en plafondwaarde
De bal ging rollen toen een aantal beleggers en woningcorporaties via de stichting Building Balance aan de adviesbureaus Merosch, Alba Concepts, Stichting W/E adviseurs en DGMR vroegen om een streefwaarde en een harde plafondwaarde vast te stellen. Daarmee willen deze partijen de materiaalgebonden CO2-uitstoot in de bouwsector structureel verlagen. Uiteindelijk tekenden dertien vooraanstaande, institutionele vastgoedvermogensbeheerders en woningcorporaties een gezamenlijk commitment. Daarin spraken zij af om bij nieuwbouw in Nederland voor de CO2-uitstoot van bouwmaterialen met streefwaarden én harde plafondwaarden te gaan werken.
Door deze maatregel versnellen de partijen de omschakeling naar slimmer, circulair en biobased bouwen en zetten zij een nieuwe standaard voor de sector. Deze dertien partijen zijn gezamenlijk goed voor meer dan 60 miljard euro aan belegd vermogen en tienduizenden nieuwe woningen in de komende jaren. De materiaalgebonden CO₂-uitstoot bestaat uit de emissies die vrijkomen bij de productie, het transport, de verwerking en toepassing van bouwmaterialen.
‘Het berekenen van die materiaalgebonden CO2-uitstoot doen we via de MPG-berekening’, legt Breekveldt uit. ‘Een MPG-berekening geeft inzicht in de milieuprestatie van een gebouw op materiaalniveau. Het biedt een gewogen score voor alle materialen die we in een specifiek gebouw gebruiken. Die totale score delen we dan door het aantal m² BVO en de gebouwlevensduur. Voor Paris Proof bouwen kijken we naar de korte termijn CO2-uitstoot, de eerste 15 jaar van de gebouwlevensduur. Uiteindelijk levert dit een score op die – voor deze opdrachtgevers – onder de plafondwaarde moet blijven als zij nieuwbouw realiseren.’
Commitment
‘Nadat we de plafondwaarde hadden vastgesteld, staken we als adviesbureaus de koppen bij elkaar. Waarom zouden onze klanten zich aan deze commitment verbinden als wij dit niet doen? Daarom stelden wij een gelijksoortig commitment op voor adviesbureaus en nodigden we andere collega’s uit om deze ook te ondertekenen. Zo hebben we ons tijdens de Klimaattop GO op 5 november, samen met zestien andere bureaus gebonden aan de ‘collectieve commitment CO2-aanpak adviesbureaus’.’
‘Het betekent dat wij afbouwende streef- en plafondwaarden – ongevraagd – inzichtelijk maken voor alle nieuwbouwprojecten van woningen, kantoren en winkels waarbij wij vanaf nu het advies en ontwerp verzorgen. Dit betekent dat wij de opdrachtgever informeren over onze visie en motiveren waarom we een CO2-plafond en streefwaarden bij elk project instellen. Ook brengen we in beeld hoe een project scoort ten opzichte van de streefwaarden. Daarmee willen we de opdrachtgever inspireren om die waarden te halen. Tegelijk spreken we een stevige voorkeur uit voor opdrachtgevers die echt voor het behalen van de streefwaardes gaan.’
Zonder meerkosten
Volgens Breekveldt betekent dit inderdaad dat Merosch klanten in beweging wil brengen. In de praktijk zal Merosch geen opdrachten aannemen die niet binnen hun ambities passen. Daarbij is de plafondwaarde een belangrijke maatstaf. ‘Die plafondwaarde is ook vrij eenvoudig te realiseren, en zonder meerkosten. Onze filosofie is zelfs dat het vaak goedkoper kan, juist omdat we een gebouw creëren dat minder materiaal gebruikt. Door juiste keuzes te maken, maken we gebouwen compacter en gebruiken we materialen efficiënter. Wel moeten we mogelijk het raamoppervlak in een gebouw, of bepaalde niet functionele vormen, beperken. Maar als we dat doen, kunnen we in een ontwerp voldoende spelen om te zorgen dat we het materiaalgebruik reduceren en de plafondwaarde halen.’
Wie nog wat stappen verder wil naar een Paris Proof-ontwerp, zal volgens Breekveldt wel keuzes moeten maken in de toepassing voor meer biobased, herbruikbare of refurbished materialen. ‘In dat geval kun je de nog scherpere streefwaarden halen, maar daarvoor zijn de kosten iets hoger.’ Dat deze ontwerpmethode een beperking oplegt aan de vrijheid van architecten, is volgens hem niet waar. ‘Maar we zullen wellicht wel zien dat architecten op een andere manier een architectonisch statement gaan maken. Niet meer met bijvoorbeeld loze ruimte of niet-functionele vormen, maar juist door met hout in het zicht te werken of door met specifieke, biobased keuzes hun ontwerp te profileren. Natuurlijk geeft een plafondwaarde een bepaalde beperking, maar er zijn echt voldoende manieren om vrijheid te houden in het ontwerp zonder de materiaalgebonden CO2-uitstoot onnodig te verhogen.’
‘We willen echt een -beweging starten die niet meer te stoppen is’
Evaluatie en rapportage
Om te zorgen dat partijen zich aan de commitments houden, volgt er jaarlijks een evaluatie, rapportage en eventueel een herijking. Zowel de beleggers en woningcorporaties als de adviesbureaus willen met deze openheid de markt zoveel mogelijk duidelijkheid bieden. ‘Er zijn uitzonderingen mogelijk om incidenteel boven het plafond uit te komen. Je kunt denken aan kleine woningen waarin relatief veel materiaal nodig is per m² BVO. En dan nog willen we, juist door deze projecten in de openbaarheid te delen, collega’s uitdagen. Wellicht kunnen zij oplossingen aandragen om een dergelijk project wel onder die plafondwaarde te brengen. Dit doen we dus om te leren en elkaar scherp te houden, zodat een volgende keer een dergelijk project wel onder de streefwaarde blijft.’
Breekveldt vindt niet dat zij daarmee concurrenten helpen om net zulke goede ontwerpen te maken. ‘Wij staan er niet zo in, en ik denk veel adviesbureaus niet. Wij willen juist kennis delen, zodat we met zijn allen steeds die ambitie aanscherpen en de lat hoger leggen. Kennisdelen is essentieel om de transitie naar een duurzamere gebouwde omgeving te versnellen. Dat kan echt alleen als we het samen doen. Bovendien, de projecten die we via de rapportages delen, zijn projecten waarvoor we al hebben geadviseerd. Nu in 2026 zijn wij al een stap verder en creëren we ontwerpen met nieuwe maatregelen of innovatieve toepassingen. Het moet en het kan steeds beter, en ook sneller. De gevolgen voor de aarde zijn gewoon te groot en ingrijpend als we geen sterke eisen stellen en plafondwaarde hanteren. Dat kan alleen als we zoveel mogelijk partijen activeren bij het steeds verder verkleinen van de materiaalgebonden CO2-uitstoot.’
Drie routes
Het commitment dat beleggers en woningcorporaties ondertekenden, benoemt drie routes naar verduurzaming:
• Slimmer bouwen, door efficiënter materiaalgebruik en verduurzaming van beton en staal,
• Circulair bouwen, door hergebruik en ontwerpen die demontage mogelijk maken,
• Biobased bouwen, met hernieuwbare materialen zoals hout, vlas, hennep en stro.
Deze routes maken voor de uitvoerende partijen, aannemers, installateurs en andere leveranciers in het bouwproces duidelijk waar zij zich op moeten richten. De vraag is alleen of zij voldoende mogelijkheden hebben om de CO2-arme ontwerpen uit te voeren.
'Voor de bouw zijn die er zeker. Aannemers hebben de keuze uit voldoende alternatieve materialen die de CO2-uitstoot verminderen. Voor de installatiesector is dat iets lastiger. De installatiebranche heeft de afgelopen decennia vooral sterk ingezet op een reductie van de CO2-uitstoot door het energiegebruik te verkleinen. Daardoor zijn de installaties en technische componenten in gebouwen vaak talrijker en omvangrijker geworden. Denk aan warmtepomp-, gebalanceerde ventilatie- en zonne-energiesystemen. Maar door gebouwen compacter te maken en meer in te zetten op de principes van passief bouwen, kunnen we de capaciteit van installaties verkleinen, en vaak ook het aantal installaties verminderen. En de installaties die nodig blijven, zoals gebalanceerde ventilatie of zonnepanelen, zullen tijdens hun levensduur de materiaalgebonden CO2-uitstoot ruimschoots compenseren’
Alternatieve keuzes
Maar de installatiebranche kan zelf ook meer doen, stelt Breekveldt. Bijvoorbeeld door zich te verdiepen in het circulair gebruik van installaties en door met leveranciers in gesprek te gaan over de CO2- en milieubelasting van hun producten. ‘Ga eens op zoek naar alternatieven voor de installaties die je tot nu toe gebruikt, en kijk daarbij goed naar het materiaalgebruik. Let ook op de losmaakbaarheid van producten. En bij warmtepompen en airco’s hebben koudemiddelen een grote invloed. Bekijk dus of je naar toestellen met natuurlijk koudemiddel kunt overstappen.’
Dat we op een meer circulaire manier met grondstoffen en producten moeten omgaan, tonen de cijfers van het enorme grondstoffengebruik in de bouwsector. De bouw is goed voor 40 procent van alle gebruikte grondstoffen in ons land en voor 25 procent van de totale afvalproductie. Binnen die percentages is de installatiesector verantwoordelijk voor 30 procent.
Eerder dit jaar heeft Merosch voor Techniek Nederland, TVVL en Rijksvastgoedbedrijf, in samenwerking met Phi Factory het PvE Circulaire Installaties 2.0 opgesteld. ‘Het PvE Circulaire Installaties maakt niet alleen duidelijk wat we circulair kunnen doen, maar geeft ook een goede aanzet om te beginnen en biedt inzicht in welke richting we inslaan. Zo bevat het PvE drie klassen: A, B en C. Voldoe je qua maatregelen aan klasse C, dan pluk je het ‘laaghangend fruit’ en voldoe je aan een soort ondergrens op het gebied van circulariteit. Bij klasse B toon je ambitie en maak je bewuste keuzes als het op milieubelasting aankomt. Met deze inspanning zet je al serieuze stappen. De eisen en voorwaarden die bij klasse A horen, zijn voor een belangrijk deel nog ‘toekomstmuziek’. Het zijn in elk geval uitdagende en stimulerende maatregelen die zeker niet altijd en voor iedereen haalbaar zijn.’
Fabrikanten
Breekveldt stelt dat ook fabrikanten de handschoen oppakken en vanuit zichzelf milieuverklaringen bij hun producten afgeven. ‘Zo maken zij de markt duidelijk wat hun product voor milieueffect heeft. Op de Klimaattop GO begin november vertelde Alklima bijvoorbeeld dat zij voor een specifiek type warmtepomp, de Ecodan lucht/water-warmtepompen, zogeheten categorie 1-data bij de Nationale Milieudatabase aanleveren. Dat doen zij omdat ze het grondstofgebruik minstens zo belangrijk vinden als het thema energie.’
Als een product is voorzien van categorie 1-data dan levert de fabrikant bewijslast aan voor de materiaalgebonden CO2-uitstoot van het product: vanaf het delven van de grondstoffen tot einde levensduur. De Nationale Milieudatabase is blij wanneer partijen deze data aanleveren, omdat juist de toepassers, zoals de installatiesector, van daaruit gemakkelijker de juiste keuzes kunnen maken. ‘We zullen zien dat bedrijven dit de komende jaren steeds vaker doen. Als het ene bedrijf dit doet, dan wil de ander niet achterblijven. Wij verwachten dat, nu een paar koplopers de eerste stappen zetten, anderen snel zullen volgen.’
Afspraken nakomen
In maart is de eerste bijeenkomst waarop de -adviesbureaus die het commitment hebben ondertekend samenkomen, om onderling nog eens goed te bespreken wat de afspraken precies inhouden. ‘In juni willen we dan een eerste publicatie uitbrengen waarin we goede voorbeelden uit de branche op een rij zetten, die weer als inspiratie kunnen dienen.’
‘Het is wel de bedoeling dat alle deelnemers aan het commitment daaraan een bijdrage leveren. Adviesbureaus kunnen niet als ‘free riders’ meeliften, iedereen moet actief deelnemen en kennis en projectinformatie delen. Dat is ook de enige manier waarop we verder komen en uiteindelijk met een steeds lagere plafondwaarde kunnen gaan werken. De gezamenlijke ambitie is dat we een beweging in gang zetten die niet meer te stoppen is. Als we met dit commitment zoveel mogelijk partijen aan boord krijgen, kunnen we ervoor zorgen dat we maximaal 1,7 °C opwarming halen. We willen echt een -beweging starten die niet meer te stoppen is.’